Bedankt voor uw waardering op Facebook.


Ask Nessie: 20 Populaire ADHD-vragen II

LOCH NESS biedt vorming aan over ADHD en advies aan huis.

In lezingen en adviesgesprekken komen dezelfde vragen steeds terug. Deze lijst van 20 FAQ over ADHD bevat antwoorden uit onderzoeksbronnen en literatuur van de meest vooraanstaande onderzoekers in het ADHD-domein. Het cijfer na elk antwoord verwijst naar deze bronnen, onderaan de pagina. Kopiëren en afdrukken van deze lijst is toegestaan, mits volledige overname van alle gegevens en met vermelding van www.lochness.be.

20 vaak gestelde vragen over ADHD zijn:

Deel I

1. Bestaat ADHD wel echt?

2. Komt ADHD alleen in de Westerse maatschappij voor?

3. Wat is het verschil tussen ADHD en ADD?

4. 

Gaat ADHD over?
5. Wat is de zin en onzin van medicatie bij ADHD?
6. Wordt er te vaak medicatie voorgeschreven bij ADHD?
7. Wordt ADHD te veel gediagnosticeerd?
8. Komt ADHD meer voor bij jongens dan bij meisjes?
9. Wat is de oorzaak van ADHD?                                   
10. Is ADHD erfelijk?
11. Wat zijn de positieve kanten van ADHD?

Deel II

12. Is ADHD bij meisjes/vrouwen anders dan bij jongens/mannen?
13. Hebben ADHD'ers minder slaap nodig of slapen ze gewoon te weinig?
14. Wat is het verschil tussen ADHD en manisch (-depressief) zijn?
15. Welke invloed heeft ADHD op het seksleven?
16. Hoe weet ik of de diagnose ADHD/ADD juist is?
17. Waar kan ik terecht voor een diagnose ADHD/ADD?
18. Wat is hyperfocus?
19. Zijn ADHD'ers gemiddeld slimmer of dommer dan niet-ADHD'ers?
20. Waarom spreekt men van hyperkinetische kinderen?  


©  Ilja Van Peel, Loch Ness 2010


De antwoorden op de vragen 1 tot 11 vind je hier.

12. Is ADHD bij meisjes/vrouwen anders dan bij jongens/mannen?

Antwoord: de aandoening is biologisch grotendeels hetzelfde, maar ziet er (deels) anders uit in het dagelijks gedrag.

Mannen en vrouwen, jongens en meisjes, verschillen sowieso door hun biologie, hun opvoeding en allerlei socio-culturele verschillen. Hoe groot elk van die invloeden is en hoe ze op elkaar inwerken is veel moeilijker te zeggen.

Sommige hersengebieden die een rol spelen bij ADHD, zoals de basale ganglia en de kleine hersenen, verschillen in omvang. Of dit ook effect heeft op de ADHD, is nog niet duidelijk. De hormonen van vrouwen organiseren tijdens de ontwikkeling van de foetus de hersenen en activeren ze voor de seksuele rijping van de puberteit. Dat hormonen veel invloed hebben op het gedrag en op het creëren van het sekseverschil weten we al langer.

Maar ook socioculturele verschillen tussen jongens en meisjes spelen mee: vrouwen moeten zich meer conformeren aan de groep(sverwachtingen) en worden meer verondersteld de complexe balans huishouden-werk te dragen. Voor een meisje of vrouw met ADHD zal dit dus effect hebben. Je zou kunnen verwachten dat vrouwen beter moeten kunnen communiceren (geduld, diplomatie, luisteren, afstemmen, beheersen..!), dat ze minder risico’s mogen nemen dan mannen en praktisch sterk onderlegd zijn (handig, beslisvaardig, actiegericht,…!) Ze zal misschien haar problemen en gevoelens moeten verbergen. Bij een hoge intelligentie maskeert ze ze en lijkt haar leven stabiel. Ze kan perfectionistisch zijn, wat helemaal paradoxaal is voor ADHD. Dan besteedt ze te veel aandacht aan details bijvoorbeeld. De chaos en moeite met organisatie valt niet op. Wat niet zichtbaar is, is geen handicap. Dit maakt dat vrouwen en meisjes extra kans lopen op onderdiagnosticering. Sari Solden spreekt over een ‘masker van competentie’. Ze krijgt bijgevolg ook minder hulp dan ze nodig heeft.

Vrouwen met kinderen moeten veel taken tegelijk doen. Ze moeten voor structuur zorgen thuis, ze moeten goed omgaan met de verwachtingen en verzuchtingen van alle gezinsleden. Ze moet veel complexe taken uitvoeren. Dit gecombineerd met een job, wordt een hels karwei en veronderstelt bijna een ‘superwoman’. Een vrouw met ADHD heeft drie uitdagingen: haar werk, haar eigen vrouwelijke identiteit én haar gezinsrollen. Het ‘valse’ zelf stemt zich af op wat anderen willen. Ze leert wat anderen willen dat ze denkt, doet en voelt en verliest het contact met haar eigen noden en verlangens. De hindernis voor een meisje of vrouw met ADHD is niet altijd anders of moeilijker dan voor iemand zonder ADHD. Alleen zal de kans dat ze het allemaal voor mekaar krijgt, kleiner zijn.

De DSM-IV-criteria zijn nog veel te weinig op meisjes en vrouwen afgestemd. Dat is een ernstige lacune voor de diagnostiek maar dus ook voor de behandeling van vrouwen met ADHD. Sommigen onder hen staan mijlenver weg van het ‘drukke jongetjes’-beeld en worden door hun omgeving op die typische ADHD-domeinen dus ook niet begrepen en niet gesteund.



13. Hebben ADHD’ers minder slaap nodig of slapen ze gewoon te weinig?

Antwoord: ADHD’ers hebben op zich niet meer of minder slaap nodig. Hun slaap is wel vaak problematisch waardoor ze toch slaap tekort komen.

Het zou kunnen dat de DSM het slaapprobleem nog als criterium opneemt in de toekomst. Ruim zeventig procent van de volwassenen met ADHD heeft inslaapproblemen. Bij kinderen stelt het zich nog niet zo vaak; de slaapproblemen starten gemiddeld rond de leeftijd van 12 jaar, al zijn uitzonderingen natuurlijk al mogelijk. Vaak begint het al met een kind dat iets langer wakker ligt of moeilijker doorslaapt. Typisch is dat de ouders het dan soms ook moeilijker kunnen wekken. Zo’n zeventig procent van de 30-jarige ADHD’ers ligt meer dan een uur wakker. Het gemiddelde is 106 minuten, wat toch extreem lang is, zeker als je bedenkt dat ADHD de onderliggende oorzaak is en de slaap maar één van de vele symptomen.

Een ander probleem dat kan opduiken is de verlate slaapfase. De ADHD’er (man of vrouw) krijgt later slaap. De natuurlijke ritme-aangevers licht en melatonine (wordt ’s avonds bij iedereen aangemaakt als ‘slaapsignaal’) hebben minder effect bij ADHD’ers. Ze kruipen later in bed of slapen sowieso later in. Een groep van hen is pas echt ingeslapen rond 3-4 uur ’s nachts en wordt pas wakker rond de middag. De gevolgen voor het dagelijks leven zijn evident. Een puber die hieraan lijdt, kan makkelijk als luierik gezien worden. De reden waarom veel nachtwerkers ADHD’ers zijn, is ook meteen duidelijk.

Voor een goede slaap’hygiëne’ zoals dat heet, zijn een paar zaken noodzakelijk:

-          niet slapen overdag

-          een vast ritueel en tijdstip om te gaan slapen

-          4 uur vóór het slapengaan, geen grote lichamelijke inspanningen zoals sport

-          ’s avonds middelen als caffeïne vermijden en tv en computer op tijd af (o.w.v. prikkeling/lichtintensiteit,..)


Momenteel bestaan ook al behandelingen met melatonine, lichttherapie,.. Gedragstherapie, relaxatie,.. kunnen goed helpen bij slaapproblemen. Dit aanpakken gebeurt best in samenspraak met de huisarts. 



14. Wat is het verschil tussen ADHD en manisch (-depressief) zijn?

Antwoord: Er zijn gelijkenissen maar zeker ook duidelijke verschillen tussen beide aandoeningen en worden vaak verward, ook door hulpverleners.

Manische depressiviteit (=bipolaire stoornis) kenmerkt zich door episodes van druk, energiek, prikkelbaar gedrag met te grootse ideeën en projecten, veel werk verzetten, seksuele ontremming, te euforisch gevoel. Daarna komt een episode van depressie, wat algemene lusteloosheid, leegte, moeheid, onbehagen kent.

De DSM-IV beschrijft bijna 300 stoornissen. Toch heeft ze daar maar 170 verschillende symptomen voor. Er is dus veel overlapping tussen de symptomen van de aandoeningen. Driekwart van de ADHD’ers heeft een bijkomende problematiek: een persoonlijkheidsstoornis, gedragsstoornis, stemmingsstoornis, verslaving, slaapstoornis,… Zeven procent van de volwassen ADHD’ers zou ook een bipolaire stoornis hebben. Ondanks de verdenkingen die op de door farmacie betaalde onderzoekers rust, wijzen de studies duidelijk op meer voorkomen van bipolaire stoornis bij ADHD en andersom, ook genetisch.

Gelijkenissen

-stemmingswisselingen

-aandachtsproblemen

-drukte, hyperactiviteit

-impulsiviteit

-prikkelbaarheid

-slapeloosheid

-snel associëren

Verschillen

-aanvangsleeftijd (ADHD: vanaf geboorte, manie: meestal begin puberteit)

-aanwezigheid symptomen (ADHD: altijd, manie: enkel bij episodes)

-stemmingstrigger (ADHD: reactief op situatie, manie: euforie los van de situatie)

-snelheid van de stemmingswisseling (ADHD: plots en snel, manie: overgang van uren of dagen)

-duur van de stemming (ADHD: 4 à 5 per dag, manie: 4 à 5 per jaar)

-familiaal voorkomen (meer voorkomen van ADHD of bipol. stoornis)

-inslaapproblemen met piekeren (ADHD: korte gedachtensprongen, manie: gedachtenstroom)

-grootheidswanen (ADHD: tussen realistisch en onrealistisch, manie: duidelijk onrealistisch)

Het verdient aanbeveling om voorzichtig te zijn met uitspraken over manische depressie bij kinderen. Er is consensus dat dit wel al voorkomt, maar de mate waarin is nog voer voor discussie. Algemeen gesteld: hoe jonger het kind, hoe groter de kans op fouten bij de diagnostiek: gaat het om ADHD, symptomen van depressie, bipolaire stoornis of meerdere stoornissen tegelijk? Of is de ene stoornis (bv. depressie) slechts een gevolg van de andere? ADHD kan in geen geval veroorzaakt worden door een gebeurtenis of door een andere stoornis. (Soms is er wel gedrag waarneembaar dat sterk lijkt op ADHD, bv. bij trauma). Elke vraag met betrekking tot diagnostiek moet gericht zijn aan een ervaren psychiater, vertrouwd met ADHD.



15. Welke invloed heeft ADHD op het seksleven?

Antwoord: zoals op veel gebieden heeft ADHD altijd effect op de partnerrelatie en dikwijls op de seksualiteit.

Seksualiteit en intimiteit tussen partners veronderstelt afstemming, een goede verstandhouding, aandacht (!) voor elkaar. Die aandacht kan verstoord zijn als het gaat over eigen lichaamsbeleving en het rekening houden met de gevoelens van de ander. Onrust, verveling, impulsiviteit, de voorkeur voor risico’s, laat zich ook zien in de seksualiteit.

Natuurlijk heeft ADHD hier ook twee kanten. ADHD’ers zijn creatief, vernieuwend, energiek en op zoek naar het spannende. Ze vermijden het doordeweekse en kunnen erg gepassioneerd zijn. Gebrek aan remming speelt dus in alle mogelijke richtingen. Het kan van de ADHD’er een gepassioneerde minnaar maken maar ook een geestelijk afwezige, ruwe, weinig afgestemde partner. Typisch is dat veel ADHD’ers te veel of te weinig zin hebben in seks. Uit onderzoek bleken ADHD’ers iets vaker biseksueel maar niet vaker homoseksueel. Ze hebben gemiddeld dubbel zoveel seksuele partners als niet-ADHD’ers, nemen meer risico’s met SOA’s en HIV tot gevolg, nemen minder trouw anti-conceptie. Opvallend is dat ze gemiddeld 1 jaar vroeger geslachtsgemeenschap hebben dan niet-ADHD’ers en ook de kans op tienerzwangerschappen vergroot.

Meer informatie over ADHD en relaties en seksualiteit vind je op de lezing 'Het Construct van de Wildernis II' en 'Langs de driftweg'.



16. Hoe weet ik of de diagnose ADHD/ADD juist is?

Antwoord: de diagostiek bij ADHD is één van de pijnpunten bij ADHD: een diagnose is niet zwart op wit bewijsbaar (net zoals bij alle andere geestelijke aandoeningen!) maar kan wel zeer overtuigend zijn als ze goed wordt gesteld.

Zowel de conclusie ‘geen ADHD of ADD’ als ‘ADHD’ of ‘ADD’ is een moeilijke zaak. Toch heerst er een groot misverstand onder de bevolking dat dit enkel voor ADHD zo is. Ook een depressie, of bipolaire stoornis, verslaving of persoonlijkheidsstoornis, allemaal psychiatrische diagnoses, gebeuren op basis van gedragswaarneming, bevraging en soms testen. Het verschil is dat men ADHD moeilijker begrijpt en dat de gevolgen van de uitspraak groot zijn. Het betekent dat iemand van geboorte tot dood in bepaalde mate met de symptomen te kampen heeft. Voor ouders, leerkrachten, vrienden, familie,… is dat niet niks. Er wordt dus eigenlijk niet alleen een diagnose gesteld over een individu, het betekent ook dat de omgeving blijvend met de problematiek geconfronteerd wordt (net zoals bij autisme, Downsyndroom, schizofrenie,..).

Het is dus erg belangrijk om een grondig onderzoek te doen. (Zie ook de vraag: ‘Wordt ADHD te veel gediagnosticeerd’?). Lang niet alle clinici zijn vertrouwd met ADHD of ADD. Het blijft nog een gedragsstoornis in plaats van een ontwikkelingsstoornis die men aan ‘drukke jongetjes’ koppelt. Helemaal problematisch wordt het bij sommige ADD’ers en vrouwen met ADHD of ADD: doordat ze minder acting-out gedrag stellen (bv. eerder depressiviteit, eetstoornis, automutulatie dan agressie) komen ze minder vlug in de probleemgroep. Met allerlei compensatietruukjes camoufleren ze hun moeilijkheden en de schaamte en schuld brengen ADHD veel minder vlug naar boven dan bij jongens of mannen die door de omgeving als ‘lastig’ of ‘anti-sociaal’ worden bestempeld. Of anders gezegd: het is vooral de hyperactiviteit die mensen tot de diagnose leidt en minder de aandachtsproblemen. Hierdoor gebeuren veel fouten met overdiagnosticering tot gevolg. De DSM-criteria schieten schromelijk tekort: ze halen er te weinig de volwassenen (vooral vrouwen) en ADD’ers uit want ze zijn nog op de mannelijke basisschoolleeftijd gebaseerd. Langs de andere kant kun je vermoeden dat ze ruimte voor fouten laten en niet streng genoeg zijn voor de onervaren interpreteerder. We mogen hopen dat de volgende DSM-editie die beide problemen aanpakt.

Voor een diagnose is minimum nodig: een arts (alleen al om medische oorzaken uit te sluiten), bij voorkeur een psychiater of neuroloog+psycholoog (de meeste huisartsen zijn niet voldoende vertrouwd met geestelijke aandoeningen voor diagnostiek en behandeling, wel voor opvolging). Een multidisciplinair team is zinvol maar kan even onervaren of lichtzinnig omgaan met de criteria als een individuele psychiater. Er is geen kwaliteitslabel, geen wettelijke norm, geen beperking. Ga bij twijfel voor een tweede opinie. Vraag altijd een schriftelijk verslag dat de bewering onderbouwt. Vraag naar de typisch zwakken en sterke kanten van het geteste individu. Geloof niet in methodes die op één manier de diagnose kunnen bepalen: een test, een vragenlijst, een EEG,.. zijn nuttig maar het blijft een inschatting die liefst wordt opgebouwd door verschillende zaken samen te leggen. De anamnese, dus de ‘ziektegeschiedenis’ is doorslaggevend. Er kan pas sprake zijn van ADHD of ADD als de criteria levenslang, in ernstige mate en op meerdere domeinen van toepassing zijn. Het functioneren moet sterk belemmerd worden. Een kind of volwassene haalt niet wat hij of zij zou willen of kunnen halen volgens zijn IQ en vaardigheden. Een diagnose die meer weegt dan de problemen zelf, is onwaarschijnlijk. Er is pas sprake van een stoornis als er werkelijk iets verstoord is. We mogen nooit vergeten dat dit bij de overgrote meerderheid van de kinderen niet zo is. Een klas van 20 leerlingen met 8 ADHD’ers kan in praktijk bestaan maar is statistisch zeer onwaarschijnlijk (dit zou 40% zijn en  het voorkomen van ADHD is ‘maar’ 5% is bij kinderen).

Een diagnose bij een kind onder de 5 jaar is slechts voorlopig. Het kan later blijken dat het kind geen ADHD heeft. Veel voorzichtigheid is hier geboden want het onderscheid met andere kinderen is op vlak van aandacht, hyperactiviteit en impulsiviteit op die leeftijd moeilijk te maken. Zeker kleuters vertonen op zich veel hyperactief gedrag en het is erg normaal dat ze zich nog niet lang kunnen bezighouden en bv. impulsief of driftig reageren. Andersom: ADHD of ADD kan aanwezig zijn en veel invloed hebben maar pas zichtbaar worden in de puberteit. Ook hier moet nauwkeurig bevraagd worden wanneer de problematiek ontstond.

De meeste centra richten zich op diagnostiek bij kinderen, weinig bij volwassenen. Er is een gebrek aan kwaliteitscontrole. Ook onervaren, weinig deskundige clinici doen aan diagnostiek. Zoek bij voorkeur een persoon of organisatie die goed toont mee te zijn met de recente onderzoeken en literatuur. Die zich niet laten afleiden door meningen of korte observaties. Die eerst de ‘A’ van ADHD en ADD voorop stellen en niet de ‘H’ of de ‘I’.

Tip1: de positieve kanten van ADHD en ADD, het openstaan, leergierige, vaak creatieve, spontane, eerlijke, ongeremde, gevoelige, hartelijke,.. zouden ook aanwezig moeten zijn. Je kunt met ADHD of ADD niet enkel ‘negatieve’ symptomen of kenmerken hebben (wat sommige medici graag beweren). De aandoening is vooral problematisch in relatie met de omgeving en is dus eerder regelmatig een ‘handicap’ in sommige situaties dan een ‘ziekte’ waar je van ’s morgens tot ’s avonds psychische pijn van hebt. Als de diagnosticus niet bezig is met de sterke kanten, hoe ga je dan de behandeling aanpakken? Enkel medicatie geven is een zwaktebod en stamt uit vervlogen, puur-medische tijden.

Tip2: Deskundige onderzoekers gaan ook het zelfbeeld na, wat de leeftijd ook is. Dit is bij vrijwel alle ADHD'ers en ADD'ers laag. Het komt naar boven in uitspraken en verwachtingen over het eigen kunnen.

Wees kritisch en confronteer de onderzoeker met feiten en meningen die je opving van anderen. Lees goede boeken over ADHD en ga naar lezingen: dat is de beste manier om na te gaan of je met een deskundige te maken hebt want je kunt alles dan toetsen aan wat je zelf gelezen hebt. Informeer je, realiseer je dat ook psychiaters fouten maken. Wees voorzichtig als je vermoedt dat er belangenvermenging in het spel is.

Tot slot: het beste boek om je als ADHD'er in te herkennen, is een boek geschreven door een ADHD'er. 'Hulpgids ADHD' van E. Hallowell (zie literatuurpagina) is daar een uitstekend voorbeeld van. Herken je je (kind) bij het lezen van dit boek niet, wees dan maar erg kritisch voor de diagnose ADHD of ADD.



17. Waar kan ik terecht voor een diagnose ADHD of ADD?

Antwoord: er zijn veel individuele praktijken en centra die aan diagnostiek doen maar er bestaat geen kwaliteitsgarantie.

Officieel zijn veel (maar niet alle) van volgende diensten bezig met ADHD-diagnostiek:

  • -Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen (COS)
  • -Oriëntatie- en behandelcentrum (OBC)
  • -Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum (OOOC)
  • -Kinderpsychiatrie
  • -Psychiatrische Afdeling van een Algemeen Ziekenhuis (PAAZ)
  • -Centrum Geestelijke Gezondheidszorg (CGG)
  • -Medisch Pedagogisch Instituut
  • -Centrum Algemeen Welzijnswerk (CAW)
  • -Centrum voor Kind en Gezin (CKG)
  • -Centrum voor Leerlingbegeleiding (CLB)
  • -Centrum voor Integrale Gezinsbegeleiding (CIG)
  • -zelfstandige psychologen, psychiaters, groepspraktijken
  • -neurologen, kinderartsen, revalidatieartsen, orthopedagogen,..

Lange wachtlijsten of grote testbatterijen zijn geen garantie op een juistere diagnose. Sommige individuele psychiaters zijn veel meer beslagen in de ADHD-problematiek bijvoorbeeld. Als je geen volwassenpsychiater vindt, ga dan te rade bij een kinderpsychiater. Zie ook vraag 16. voor een kritische aanpak van de diagnostiek.

Een handige zoeker is de sociale kaart ADHD, ontworpen door de Lessius Hogeschool. 




18. Wat is hyperfocus?

Antwoord: de hyperfocus is een paradoxaal verschijnsel bij ADHD. Het is zeer sterk geconcentreerd zijn.

De normale, soepele afleidbaarheid ontbreekt. Soms is dat nuttig. Je kunt urenlang werken aan een taak. Soms is het echter ook gevaarlijk: als je zo verdiept bent in je boek dat je de pot op het aanrecht vergeet bijvoorbeeld, of je verliest je aandacht voor je kind dat in de zee zwemt. De ADHD’er met hyperfocus kan moeilijk de taak(gerichtheid) loslaten. Hij is wel bezig met details en houdt de taak wel lang vol, wat hij meestal niet doet. Hyperfocus verklaart waarom een kind wel zes uur lang met de Playstation kan spelen maar geen half uur huiswerk maakt. Of het laat zien waarom de resultaten van ADHD’ers in werk of studie niet altijd goed of zwak zijn, maar juist onregelmatig. Soms is de aandacht er te weinig, soms matig, soms zeer sterk. Dat laatste gebeurt niet zo vaak. Hyperfocus is niet iets wat je ‘aan’ of ‘af’ kunt zetten. Je kunt als leerkracht ook niet vragen om dat te proberen. Het is ook geen magisch verschijnsel.

De hersenen van ADHD’ers vertonen een onregelmatige hoeveelheid dopamine- en noradrenaline. Bij hyperfocus is er zeker voldoende aanwezig. De term ‘aandachtstekortstoornis’ is dus eigenlijk niet helemaal juist: ADHD zou beter een ‘aandachtsregulatiestoornis’ worden genoemd.



19. Zijn ADHD’ers gemiddeld slimmer of dommer?

Antwoord: ADHD komt voor in alle lagen van de bevolking. Het treft jongens en meisjes, mannen en vrouwen, met lage, normale en hoge intelligentie. Op dit vlak verschillen ADHD’ers niet van niet-ADHD’ers.

Dat ADHD’ers vaak hoogbegaafd zijn is dus zeker een fabeltje. Aandachts-, leer- en gedragsproblemen kunnen schoolresultaten sterk beïnvloeden. ADHD’ers presteren systematisch onder hun niveau.

Hoge intelligentie is vaak een voordeel. Toch is het dat soms ook niet. Intelligente personen kunnen hun aandachtsproblemen meer compenseren en opvangen. Ze hebben meer manieren om problemen op te lossen en staan daarmee sterker. Het pijnpunt is dat de intelligente ADD’er of ADHD’er dikwijls niet herkend of begrepen wordt. Men ziet weinig dysfunctioneren. De verwachtingen liggen hoger. Het contrast tussen moeite en tijd enerzijds, en IQ anderzijds, is enorm.

Een vergeten groep is die van de laagbegaafde kinderen met ADHD. Naar hen wordt weinig onderzoek verricht en ook de behandeling specifieert zich nog niet naar een dergelijke groep. Veel opvoeders die met mentaal gehandicapten werken, realiseren zich niet eens dat ADHD of ADD ook kan aanwezig kan zijn. ADHD is vooral nog een probleem van de middenklasse.



20. Waarom spreekt men van hyperkinetische kinderen?

Antwoord: het is een verouderde term voor kinderen die overbeweeglijk zijn. Niet alle overbeweeglijke kinderen zijn ADHD’ers. En niet alle ADHD’ers zijn overbeweeglijk (bv. ADD’ers).

Hyperkinetische kinderen bewegen meer, zijn onrustiger. Ze lijden onder de drang om ‘iets te doen’, ze moeten in actie blijven en bewegen om zich niet ongelukkig of zinloos te voelen. Dit is niet altijd zichtbaar. Bij een volwassene is alles subtieler: de bewegingen, de onrust. Hij heeft ook veel manieren ontwikkeld om die onrust te verbergen of te vermijden (wegblijven van formele situaties, alcohol drinken, nachtwerk doen,…). Het gaat dus meer om de ‘drive’ dan om de bewegingen zelf. Men miskijkt zich lelijk op dit fenomeen, bijna alsof het een probleem van de ledematen is en niet in het hoofd. Maar de naam van een populaire website vat de onrust goed samen: ADHD is een ‘hersenstorm’. Of, zoals een jongetje van 10 eens zei: ‘Ik wou dat ik eens moe kon zijn’.



©  Ilja Van Peel, Loch Ness 2010